Nieuwsberichten
Chemisch toilet geen buitengewone uitgave
Een belastingplichtige heeft in 2002 een chemisch toilet en vloerbedekking aangeschaft. Het chemisch toilet moest hij aanschaffen vanwege de beperkte lichaamsfuncties van zijn echtgenote. Het chemisch toilet wordt, zo wordt door de belastingplichtige gesteld, ook uitsluitend door zijn gehandicapte echtgenote gebruikt. Naast de aanschaf van het chemisch toilet heeft de belastingplichtige ook gladde vloerbedekking aangeschaft ter vervanging van oude vloerbedekking. Dit is gedaan om het de echtgenote mogelijk te maken om met behulp van een rollator in huis te lopen. De belastingplichtige stelt dat de uitgaven voor het toilet en de vloerbedekking buitengewone uitgaven zijn die in aftrek kunnen worden gebracht op het inkomen. De inspecteur is het hier niet mee eens.
Uitgaven worden aangemerkt als aftrekbare kosten (buitengewone uitgaven wegens ziekte) als het gaat om hulpmiddelen. Deze zijn onder meer aftrekbaar als de hulpmiddelen worden aangeschaft om een beperkte lichaamsfunctie over te nemen. Een chemisch toilet neemt de door de ziekte gestoorde lichaamsfunctie niet over en is dus niet aftrekbaar als buitengewone uitgave. De inspecteur stelt ook dat de vloerbedekking geen hulpmiddel is.Rechtbank Breda geeft de inspecteur gelijk. De belastingplichtige mag de kosten van het toilet en vloerbedekking niet aftrekken.
Bron: Rechtbank Breda nr. AWB 05/00829
Persoonsgebonden budget belastbaar inkomen
Een echtpaar heeft een verstandelijk gehandicapt kind. De vader van het kind heeft een persoonsgebonden budget toegekend gekregen om zorg voor het kind in te kopen. Het persoonsgebonden budget bedroeg ruim € 20.000. De vader heeft aan de Sociale Verzekeringsbank medegedeeld dat de moeder de zorg voor het kind op zich nam. De Sociale Verzekeringsbank heeft vervolgens een jaaropgave uitgereikt aan de moeder waarop vermeld is dat zij de vergoeding van € 20.000 heeft ontvangen voor het verrichten van zorgtaken in opdracht van haar echtgenoot.
De moeder heeft het persoonsgebonden budget niet in haar aangifte inkomstenbelasting verantwoord. De moeder meende dat haar werkzaamheden voor haar zoon geen bron van inkomen vormen en er geen voordeel viel te verwachten, zodat de vergoeding voor haar geen belastbaar inkomen vormt.
De inspecteur vindt dat het persoonsgebonden budget belastbaar inkomen vormt.
Het Gerechtshof Amsterdam is het hier mee eens. Het Hof stelt dat de moeder wist dat een budget zou worden toegekend en dat voordeel werd beoogd. Immers door de zorgtaken zelf te vervullen in plaats van deze in te kopen, werd het budget binnen het gezin gehouden. De zorgtaken vallen buiten de normale zorgplicht van ouders aan kinderen. Dit vloeit voort uit het feit dat de wetgever ervoor heeft gekozen voor dergelijke zorgtaken een budget ter beschikking te stellen. Het Hof is dan ook van oordeel dat de moeder het persoonsgebonden budget als resultaat uit overige werkzaamheden in haar aangifte had moeten opnemen. De werkzaamheden zijn werkzaamheden die in het economisch verkeer verricht worden. De Hoge Raad bevestigt in de uitspraak van 8 juni 2007 het oordeel van het Hof.
Bron: HR 8 juni 2007. nr 42044
Actualiteiten over toeslagen
De afdeling Toeslagen van de Belastingdienst is druk bezig om de kinderopvangtoeslag over 2006 voor de gerechtigden definitief te berekenen. Hierbij zijn de hoogte van de kosten van kinderopvang en het aantal uren dat de kinderen zijn opgevangen van belang. Voor een aantal toeslaggerechtigden zijn de bij de Belastingdienst aanwezige gegevens niet toereikend. Deze groep ontvangt momenteel een brief om een overzicht van hun kinderopvangkosten 2006 op te sturen. Dit overzicht wil de Belastingdienst graag voor 2 juli 2007 ontvangen.
In de loop van dit jaar wordt de definitieve kinderopvangtoeslag 2006 verzonden. De reeds ontvangen voorlopige teruggave wordt dan met deze definitieve toekenning verrekend.
Daarnaast vindt voor diegenen die huurtoeslag ontvangen per 1 juli 2007 de jaarlijkse huuraanpassing plaats. Zij ontvangen tevens bericht van de Belastingdienst over de gevolgen van de huurprijsaanpassing voor hun huurtoeslag. Als de wijziging van de huurtoeslag minder dan € 5,- per maand bedraagt, wordt dit bedrag eenmalig in de eerstvolgende toeslagbetaling meegenomen. Bedraagt de verhoging per maand € 5,- of meer, dan wordt deze verhoging in de maandelijkse termijnen meegenomen. Het kan voorkomen dat op de nieuwe voorschotberekening nog de oude huur vermeld staat. Waarschijnlijk heeft de verhuurder dan de huuraanpassing te laat doorgegeven. Zodra de Belastingdienst alsnog de huuraanpassing heeft verwerkt, wordt de hoogte van de toeslag met terugwerkende kracht aangepast.
Bron: www.toeslagen.nl
Kabinet wil kilometerprijs voor auto
Op 14 juni 2007 heeft het Kabinet haar beleidsprogramma ‘Samen werken, samen leven’ aan de kamer aangeboden. Volgens het beleidsprogramma is het kabinet van plan om tijdens deze kabinetsperiode een eerste, maar onomkeerbare, stap te zetten naar de invoering van een landelijke kilometerprijs voor het autogebruik. De kilometerprijs kan variëren. Dit wordt waarschijnlijk afhankelijk van de tijd waarop de auto gebruikt wordt (spitsuur), de plaats van gebruik en de milieukenmerken van de auto. Bij milieukenmerken kan onder meer gedacht worden aan de CO2-uitstoot van de auto.
Ter compensatie van deze extra heffing worden bestaande autobelastingen, waaronder de BPM, stapsgewijs afgeschaft. Het Kabinet streeft ernaar om zo een systeem te creëren waarbij meer nadruk komt te liggen op het belasten van het gebruik in plaats van het bezit van de auto. Om schokeffecten te voorkomen is al bekendgemaakt dat de BPM niet ineens wordt afgeschaft maar dat dit geleidelijk gaat gebeuren. Hiertoe wordt ook een gedeelte van de BPM verwerkt in de motorrijtuigenbelasting. Na de zomer van 2007 neemt het Kabinet een besluit over de kilometerprijs.
Bron: Tweede Kamer, 14-6-2007, 31.070, nr. 1
Valse identiteitsbewijzen, anoniementarief!
Op 20 juni 2007 heeft de Rechtbank een uitspraak gedaan over valse identiteitsbewijzen en de gevolgen hiervan voor de heffing van loonheffing. In de Wet op de loonbelasting 1964 is een aantal administratieve verplichtingen opgelegd aan de zowel de werkgever als de werknemer. Dit is nodig om tot een juiste belastingheffing te kunnen komen. Zo is onder meer in de wet geregeld dat de werknemer verplicht is om zich bij het begin van zijn dienstbetrekking tegenover de werkgever te identificeren met een geldig identiteitsbewijs. Geldige identiteitsbewijzen zijn een paspoort en een internationaal geldig identiteitsbewijs op grond van de vreemdelingwet. De werkgever is vervolgens verplicht om te controleren of het identiteitsbewijs en de daarop vermelde gegevens juist zijn en bij de betreffende persoon horen.
In de zaak die bij de Rechtbank diende stelde de inspecteur, naar aanleiding van een boekencontrole, dat van een aantal werknemers die bij de werkgever in dienst waren, de identiteit niet op een juiste wijze was vastgesteld. De inspecteur gaf aan dat de aan de werkgever ter inzage verstrekte identiteitsbewijzen van deze werknemers vals waren. De werkgever stelde zich op het standpunt dat hij niet kon weten dat de identiteitsbewijzen vals waren. De Rechtbank oordeelde echter dat de werkgever bij een aantal identiteitsbewijzen had moeten zien dat deze niet echt waren, aangezien er sprake was van één of meer in het oog springende fouten of afwijkingen in het document, zoals een scheve pasfoto. De werknemers waren niet op de juiste wijze geïdentificeerd.
Een werkgever is dan verplicht op het loon het anoniementarief van 52% toe te passen. Dit is het hoogste tarief. Werkgevers dienen dus de identiteitsbewijzen van hun werknemers zorgvuldig te controleren en in het oog springende fouten of afwijkingen te zien, anders bestaat de kans op toepassing van het anoniementarief en een boete.
Bron: Rechtbank Haarlem nr AWB 06/05141
Dga geen btw-ondernemer wegens directeursfunctie?
Volgens de advocaat-generaal (AG) van het Europese Hof van Justitie is een directeur-grootaandeelhouder (dga) geen btw-ondernemer. Als het Europese Hof het advies opvolgt, worden veel dga’s ten onrechte aangemerkt als btw-ondernemer en zijn veel dga’s ten onrechte hoofdelijk aansprakelijk voor de omzetbelastingschulden van de onderneming.
Nederlandse situatie
Wat is precies het geval? Veel ondernemers hebben hun onderneming ondergebracht in een bv, waarvan zij de aandelen houden en bestuurder zijn. Deze ondernemers worden aangeduid als ‘directeuren-grootaandeelhouders’ (dga’s). Dga’s vervullen als directeur de rol van ‘werknemer’. Maar voor de omzetbelasting merkt de Hoge Raad dga’s met een doorslaggevende invloed op hun eigen ‘arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden’ aan als ‘btw-ondernemer’. Op grond van het arrest van de Hoge Raad merkt de Belastingdienst dga’s die meer dan de helft van de aandelen van de bv bezitten aan als btw-ondernemer. Die dga’s moeten daarom over hun loon btw aan de bv in rekening brengen. Omdat dit onpraktisch is, gaan veel dga’s een fiscale eenheid aan met hun bv. Zij hoeven dan niet zelf een btw-nummer aan te vragen en btw-aangiften te doen. Het nadeel van een fiscale eenheid is, dat de dga hoofdelijk aansprakelijk is voor de omzetbelastingschuld van de bv.
Bestrijd naheffingen en aansprakelijkstellingen
De AG van het Europese Hof is echter van mening, dat de arbeidsverhouding van de dga buiten de btw-heffing blijft. Dat zou betekenen dat dga’s die uitsluitend arbeid verrichten en geen andere btw-belaste prestaties jegens hun bv verrichten, geen btw-nummer hoeven aan te vragen en niet hoofdelijk aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de btw-schulden van de bv. Het arrest biedt mogelijkheden om naheffingen en aansprakelijkstellingen voor btw-schulden van dga’s te bestrijden als de bezwaar- en beroepstermijn nog niet zijn verstreken.
Bron: Conclusie AG HvJ EG van 14 juni 2007, nr. C-355/06
Wel passagierstoel, toch geen bijtelling bestelauto?
Wel passagierstoel, toch geen bijtelling bestelauto?
Op 25 augustus 2006 heeft het Gerechtshof Den Bosch zich uitgesproken over de vraag of een vrouwelijke ondernemer in haar winst een bijtelling voor privégebruik auto diende op te nemen.De situatie was als volgt.
De ondernemer dreef samen met haar echtgenoot een vennootschap onder firma. De firma had een bloemenhandel. Tot het ondernemingsvermogen van de firma behoorde onder meer een bestelauto. De vraag was of voor deze bestelauto een bijtelling privégebruik gold. De ondernemer meende van niet. De bijtelling voor privégebruik geldt immers niet voor bestelauto’s die naar aard of inrichting (nagenoeg) uitsluitend geschikt zijn voor goederenvervoer. De ondernemer stelde dat de bestelauto die werd gebruikt voor het vervoeren van bloemen en planten, niet geschikt was voor personenvervoer maar alleen voor vervoer van goederen.
De inspecteur stelde dat het enkele feit dat een tweede stoel in de bestuurscabine aanwezig is, voldoende is om aan te nemen dat de bestelauto niet (nagenoeg) uitsluitend geschikt is voor vervoer van goederen.Het Hof deelde de mening van de inspecteur niet. Het Hof stelde, na foto’s van de bestelauto te hebben gezien en gelet op de omvang van de auto, dat de bestelauto (nagenoeg) uitsluitend geschikt was voor goederenvervoer. Er hoefde dus geen bijtelling plaats te vinden.Hoewel deze uitspraak betrekking heeft op de inkomstenbelasting, is de uitspraak ook relevant voor de loonbelasting. Als degene die de bestelauto ter beschikking gesteld heeft gekregen kan aantonen dat de auto, ondanks een bijrijderstoel, (nagenoeg) uitsluitend geschikt is voor vervoer van goederen.
De uitspraak is wel sterk feitelijk. Het zal dus van de aard en inrichting van de bestelauto afhangen of al dan niet een bijtelling dient plaats te vinden.
Bron: Hof Den Bosch 25 augustus 2006, nr 05/00487
Ook 'gebruikelijk' loon in de voorperiode?
Ook 'gebruikelijk' loon in de voorperiode?
Hof Den Bosch heeft een streep gezet door de mogelijkheid om in de voorperiode van een bv het inkomen van de (toekomstige) directeur-grootaandeelhouder (dga) laag te houden. In de voorperiode moet de toekomstige dga een zakelijke arbeidsbeloning aangeven, aldus het Hof.
De ondernemer die besluit zijn onderneming om te zetten in een bv, legt in een intentieverklaring of voorovereenkomst de datum vast, vanaf wanneer de resultaten voor rekening van de bv komen.
De periode tussen die datum en de oprichtingsdatum van de bv is de voorperiode. In deze voorperiode is de (voormalige) ondernemer geen ondernemer meer in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 2001.
Dat houdt in dat hij in die periode geen winst geniet en ook geen recht heeft op ondernemersaftrek, oudedagsreserve en mkb-winstvrijstelling. Maar de (voormalige) ondernemer geniet ook geen loon in de voorperiode, want hij is nog geen directeur. Zijn bv moet immers nog worden opgericht. Daarom moet hij zijn inkomen uit de onderneming aangeven als ‘resultaat uit overige werkzaamheden’. De omvang van dat resultaat wordt in de praktijk gesteld op de privé-opnamen uit de onderneming. Neemt de (voormalige) ondernemer in de voorperiode niets op, dan heeft hij ook geen inkomen. Het Hof heeft bepaald dat dat niet mag. In de voorperiode moet de ondernemer een zakelijke arbeidsbeloning tot zijn resultaat uit overige werkzaamheden rekenen. In de betreffende procedure sluit het Hof, in navolging van de belanghebbende en de inspecteur, voor de omvang van de zakelijke beloning aan bij het gebruikelijk loon, dat de dga vanaf oprichting als loon moet aangeven. Het lijkt er daarom op, dat in de voorperiode het gebruikelijke loon bepalend is voor de omvang van het aan te geven resultaat uit overige werkzaamheden. Tegen deze uitspraak heeft de belanghebbende beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad moet dus uiteindelijk de knoop doorhakken.
Bron: Hof Den Bosch 16 april 2007, nr. 04/00779
Normleasebedrag is belaste vergoeding
Normleasebedrag is belaste vergoeding
Als een werkgever aan de werknemer een auto ter beschikking stelt die de werknemer mede voor privédoeleinden mag gebruiken, dan wordt door de werkgever voor het privégebruik een bijtelling bij het loon gepleegd van 22% van de cataloguswaarde van de auto. Uit de rechtspraak blijkt dat ook sprake kan zijn van een ter beschikking gestelde auto als de werknemer zijn eigen auto heeft, maar alle kosten en lasten door de werkgever gedragen worden en feitelijk het economische risico van de auto bij de werkgever berust.
In de casus van 29 januari 2007 voor het Hof Amsterdam ging het om een werknemer die zijn eigen auto gebruikte en van zijn werkgever een vaste vergoeding, te weten het normleasebedrag, ontving voor alle kosten van de auto waarin ook de kosten voor zakelijk gereden kilometers. De werknemer meende dat in dit geval eveneens sprake was van een ter beschikking gestelde auto en niet van een belaste kostenvergoeding. Het Hof meende echter dat in deze situatie geen sprake is van een ter beschikking gestelde auto omdat het maandelijkse normleasebedrag geen directe relatie had met de daadwerkelijk voor zakelijke doeleinden verreden kilometers en/of de werkelijke autokosten van de werknemer. Omdat er geen direct verband bestond tussen het normleasebedrag en de autokosten stelde het Hof dat geen sprake was van een ter beschikking gestelde auto. Dit betekende dat de vergoeding door de werkgever terecht onder inhouding van loonheffing aan de werknemer was uitbetaald.
Bron: Hof Amsterdam 29 januari 2007, nr 06/00244
Belastingdienst draait op voor fout in haar programmatuur
Belastingdienst draait op voor fout in haar programmatuur
Een 67-jarige man hoeft door een fout in de programmatuur van de belastingdienst over de periode 1998 tot en met 2009 geen inkomstenbelasting over zijn inkomen te betalen. De man had per ongeluk in zijn elektronische aangifte inkomstenbelasting 2001 een hypotheekrenteaftrek van € 3.419.635 ingevuld, in plaats van € 3.419. De belastingdienst stelde via ‘het automatische proces’ een verlies uit werk en woning vast van € 3.390.453. Toen de belastingdienst de fout ontdekte, stelde ze een nieuwe aanslag vast. Hof Den Bosch oordeelde echter, dat de belastingdienst de fout niet kon herstellen. De software van de belastingdienst had de fout moeten herkennen. Aangezien dat niet is gebeurd, kan de belastingdienst de fout niet herstellen en kan de pensioengerechtigde het verlies verrekenen met het positieve inkomen uit de jaren 1998 tot en met 2000 en de jaren 2002 tot en met 2009.
Veel aangiften worden nooit door een belastingambtenaar gezien. De belastingdienst doet namelijk veel aangiften geautomiseerd af. Dat heeft het risico dat de belastingdienst een schrijf- of tikfout in een aangifte niet opmerkt. Nadat de aanslag is vastgesteld, kan de belastingdienst haar fout niet zomaar corrigeren. Een feit dat de belastingdienst had kunnen of moeten weten, geeft de belastingdienst niet het recht om haar fout te herstellen. Om te kunnen navorderen moet de belastingdienst dus beschikken over een ‘nieuw feit’. Uiteraard kan de belastingdienst wel navorderen zonder nieuw feit, als de belastingplichtige opzettelijk onjuist aangifte heeft gedaan. In het berechte geval was daarvan geen sprake.
Bron: Hof Den Bosch, 04/02881, 25 augustus 2006, EK VI
Huurkosten boot voor brainstormsessie personeel niet aftrekbaar
Huurkosten boot voor brainstormsessie personeel niet aftrekbaar
Op 5 oktober 2006 heeft de rechtbank uitspraak gedaan over het volgende.
Een architectenbureau huurde van één van haar aandeelhouders met enige regelmaat een zeilboot. Op de zeilboot werden bijeenkomsten gehouden voor zakenrelaties en potentiële cliënten. Daarnaast werd de boot ook gehuurd voor brainstormsessies en andere bijeenkomsten van het personeel van het architectenbureau. Het architectenbureau bracht alle huurkosten in aftrek als kosten van de onderneming. De inspecteur was het hier niet mee eens. De huurkosten van de boot voor de personeelsbijeenkomsten waren naar zijn mening niet aftrekbaar, omdat sprake is van kosten voor een vaartuig dat gebruikt wordt voor representatieve doeleinden. Deze kosten zijn op grond van de wet inkomstenbelasting 2001 alleen aftrekbaar als deze kosten zijn gemaakt ten behoeve van diensten die deel uitmaken van de omzet. In dit geval stelde de inspecteur dat de kosten mede waren gemaakt voor het privé (vaar)genot van de personeelsleden. De rechtbank was het met de inspecteur eens en schrapte het deel van de huurkosten die betrekking had op de personeelsbijeenkomsten.
Rechtbank Breda, 5 oktober 2006 nr AWB 05/780
De Belastingdienst controleert privé-gebruik auto van de zaak!
De Belastingdienst controleert privé-gebruik auto van de zaak!
Iedereen die van zijn werkgever een auto van de zaak ter beschikking gesteld heeft gekregen, krijgt in beginsel te maken met een bijtelling bij het loon van 22% van de cataloguswaarde van de auto. Sinds 2006 is de werkgever verplicht over de bijtelling in de loonheffing in te houden en af te dragen. Voor 2006 gaf de werknemer de bijtelling aan in zijn aangifte inkomstenbelasting. Als een werknemer jaarlijks minder dan 500 kilometer privé rijdt met de ter beschikking gestelde auto, hoeft niet bijgeteld te worden. De werkgever hoeft dan geen loonbelasting in te houden als de werknemer een “verklaring geen privé-gebruik “auto overlegt.
De belastingdienst is er niet van overtuigd dat werknemers die zo’n verklaring hebben aangevraagd inderdaad geen privé ritten maken. De Belastingdienst gaat dit nu vanaf half februari controleren met behulp van camera auto’s die zijn uitgerust met een computersysteem dat nummerplaten scant en herkent. De controles zullen onder andere plaatsvinden bij bouwmarkten, festivals en, in de vakantieperioden, bij grensovergangen.
Als uit controles blijkt dat inderdaad privé gereden wordt en meer dan 500 kilometer per jaar, dan wordt een naheffingsaanslag met boete aan de werknemer opgelegd.
Bron: Directie voorlichting, 31 januari 2007.
Bijtelling voor bestelbusjes en BPM
Bijtelling voor bestelbusjes en BPM
Vanaf 1 januari 2007 is de BPM-teruggaafregeling omgezet in een BPM-vrijstellingsregeling voor ondernemers die een bestelbusje aanschaffen en die voor meer dan 10% in hun onderneming gebruiken. Ondernemers hoeven daarom de BPM niet langer voor te financieren en terug te vragen bij de belastingdienst. Dit blijkt bij veel ondernemers de vraag op te roepen, over welke waarde het autokostenforfait (‘de bijtelling’) voor deze bestelbusjes moet worden berekend. Een overzicht:
In gebruik genomen vóór 1 juli 2005
Tot 1 juli 2005 zijn bestelbusjes vrijgesteld van de heffing van BPM. Daarbij is niet van belang of een ondernemer of een particulier de bestelbus heeft gekocht. Tot de catalogusprijs van bestelbusjes van voor 1 juli 2005 behoort daarom geen BPM. De catalogusprijs is niet gewijzigd door de invoering van de BPM-teruggaafregeling per 1 juli 2005. De bijtelling voor bestelbusjes die in gebruik zijn genomen voor 1 juli 2005 blijft dus ook na 1 juli 2005 gebaseerd op de catalogusprijs exclusief BPM.
In gebruik genomen na 1 juli 2005
Vanaf 1 juli 2005 is de BPM-vrijstelling voor bestelbusjes afgeschaft. Alle catalogusprijzen zijn daarom inclusief BPM. Ondernemers kunnen vanaf die datum de BPM bij aanschaf van een bestelbusje terugvragen bij de belastingdienst, als zij het bestelbusje meer dan bijkomstig zakelijk gebruiken (is meer dan 10%). De bijtelling wordt voor bestelbusjes die in gebruik zijn genomen na 1 juli 2005 gebaseerd op de catalogusprijs inclusief BPM.
Vanaf 1 januari 2007
Vanaf 1 januari 2007 is de BPM-teruggaafregeling vervangen door een BPM-vrijstellingsregeling. Dit heeft geen gevolgen voor de catalogusprijs van de bestelbus: die blijft inclusief BPM. Niet de bestelbus, maar de ondernemer is vrijgesteld. Ook vanaf 1 januari 2007 moeten ondernemers de bijtelling dus blijven baseren op de catalogusprijs inclusief BPM.
Belastingdienst controleert op aftrek hypotheekrente
Belastingdienst controleert op aftrek hypotheekrente
De belastingdienst controleert de aangiften inkomstenbelasting ieder jaar extra op een bepaald onderdeel. Voor de aangiften inkomstenbelasting 2006 is dat de hypotheekrenteaftrek.
Bij aankoop van een nieuwe woning kan de hypotheekrenteaftrek beperkt worden op grond van de zogenaamde bijleenregeling. Dit kan het geval zijn als een eigenaar van een woning zijn woning in of na 2004 heeft verkocht en daarbij een winst heeft gerealiseerd. Als de eigenaar de nieuwe woning geheel financiert met een lening en de winst behaald bij verkoop van de oude woning niet (geheel) gebruikt voor de nieuwe woning, dan wordt de hypotheekrente aftrek beperkt.
Voorbeeld ( geen rekening houdend met aan-en verkoopkosten):
X verkoopt zijn woning voor € 200.000. De winst die hij behaald is € 100.000. Hij koopt een nieuwe woning van € 300.000. Als hij een lening afsluit van € 300.000 is de rente over
€ 100.000 niet meer aftrekbaar. De wetgever wil door deze beperking van de renteaftrek bevorderen dat de winst behaald bij verkoop van een woning gestoken wordt in de nieuwe woning.
Als u uw woning in of na 2004 heeft verkocht is het dus van belang om goed na te gaan of en in hoeverre de betaalde hypotheekrente aftrekbaar is.
